Huldegaryp


Niet al te ver boven het dorp Bergumerdam ligt het gehucht Huldegaryp. Het klinkt de meiden als een uitroep van verassing in de oren. Ze rijden over de klinkerweg de spoorweg over zo het plaatsje binnen. De weg is niet erg hobbelig maar heeft aan weerszijden diepe geulen van zwaar verkeer dat hier regelmatig overheen is gereden.

‘Huldegaryp!’, roepen ze alledrie tegelijk bij het passeren van het plaatsnaambord. Aan weerszijden van het bord staan vrij grote vrijstaande huizen. Het plaatsje valt onder de gemeente Tytsjerksteradiel wat geen van drieën uit kan spreken zonder over het woord te struikelen. Ze vervolgen hun weg langs het spoor en halverwege het station houden ze een korte stop om te tanken bij de Frije Pomp. Rinke rijdt liever niet op minder dan een kwart tank ook al zegt haar moeder dat ze dan nog zeker vijftig tot tachtig kilometer kan rijden.

‘Ik denk niet dat we in dit dorp iets vinden om te lunchen’, zegt Priscilla, ‘het ziet eruit als een buitenwijk van een stad, helemaal geen sfeer.’

‘Ik vrees dat je gelijk hebt, hoe komen we hier weer uit?’

Eenmaal buiten het plaatsje vinden ze toch een café met een klein terras waar voldoende plek is en waar ze kort neer kunnen strijken. Op een moment als dit, op een terras met vriendinnen, een kop koffie waar ze haar beide handen omheen kan leggen en verwarmen, mist Esther haar vleugel. Ze zou zo graag nu haar kat op de grond zien liggen spelen met de zachte witte pootjes om de donkere poten van de grote vleugel. Ze zou dan niet hoeven praten als ze daar geen zin in heeft, zoals nu.

« top «